Verjaardag

Het is nu tien jaar geleden. Tien jaar lang hebben we gezwegen en gedaan alsof het nooit gebeurd is, maar niemand van ons kan het vergeten. Ik kan het nu niet meer binnenhouden, ik moet het van me afschrijven. Misschien kan ik dan eindelijk verder gaan met m'n eigen leven.

Frank en Jacqueline, indertijd al oude vrienden van me en nu nog ouder, wonen op een rijnaak, de Zwerver. Het ruim is verbouwd tot woonkamer, maar verder is de hele Zwerver nog ingericht als vrachtschip en vaarklaar. Voor het ongeluk gingen Frank en Jacqueline geregeld een weekendje of weekje de hort op met het hele huishouden. Ze zijn zelfs nog een keer overgestoken naar Terschelling.

De laatste tocht van de Zwerver heb ik meegemaakt, als bemanningslid.

Jacqueline was jarig. Het was min of meer traditie dat we dan een weekendje weggingen met een klein, select gezelschap. We vertrokken dan op zaterdag met de Zwerver, brachten de avond en nacht door aan de steiger van een onbewoond eilandje, de tijd vullend met een uitgelezen maaltijd, een goede film en elkaars gezelschap. We sliepen aan boord, hadden een uitgebreid ontbijt en aan het eind van de zondag zetten we dan weer koers richting thuishaven.

Jacqueline is jarig in Oktober. Eind oktober is vrij laat in het jaar om met een nauwelijks zeewaardig schip het IJsselmeer over te steken. Het kan meevallen, maar het kan ook tegenvallen, bijvoorbeeld als er een windkracht 10 uit het Zuidoosten komt die de golven het hele IJsselmeer over blaast en het IJmeer in een kolkende hel verandert.

Toen we afvoeren op zaterdag viel het nog wel mee. Er stond een pittige bries, maar meer dan windkracht 8 zal het niet geweest zijn. De Zwerver heeft geen boegschroef dus het vroeg wat zeemanskunst om het schip op koers te houden, zeker in de sluizen en de wat smallere vaargeulen. Meestal ging Jacqueline dan naar voren om met het boegroer te redden wat er te redden viel terwijl Frank het stuurhuis bemande. Er ontstond dan een samenwerking tussen die twee waar ik ademloos naar kon kijken. Er werd niet gepraat. Dat kon ook niet: Jacqueline werd voortdurend bedolven onder bergen schuim die over het voordek sloegen. Ze kon niets horen en had tussen de golven nauwelijks tijd om te ademen, laat staan om te praten. Een enkele keer kon je haar horen zingen terwijl ze zwengelde aan het boegroer.

Zo voeren we genoeglijk de sluizen uit en het IJsselmeer op, op zoek naar een prettig onbewoond eiland. Eilandjes genoeg, maar er waren wat extra eisen bij dit soort weer: Het water moest diep genoeg zijn, zodat de Zwerver niet in ieder golfdal op de bodem stootte en de meerpalen moesten sterk genoeg zijn. Een boot van 40 meter in windkracht 10 zet nogal wat kracht op zijn meerkabels, en niet ieder lullig houten paaltje is daarop berekend.

Uiteindelijk vonden we een redelijk bruikbare plek. De meerpalen waren van hout maar ze waren niet verrot. We hebben ze een stuk dieper de grond in geramd en versterkt met stalen balken, we hebben de ankers het land op gedragen en daarna nog een grote, oude boom ingeschakeld als extra zekerheid.

Alles leek in orde. We hebben gegeten, we hebben zelfs de hele film kunnen draaien, maar daarna begon het gedonder. De wind was nog verder aangetrokken tot zowat windkracht 11. We hoorden een enorm gekraak gevolgd door een dreunende slag op het dek. We renden de kajuit uit, het stuurhuis in en zagen dat de boom die we als meerpaal hadden gebruikt als een lucifer was afgeknapt en nu op het dek van de Zwerver lag. We gingen onmiddelijk in de weer met kettingzagen en bijlen. Vijf minuten later was het dek weer vrij en konden we ons zorgen gaan maken over de andere meerpalen. De trossen stonden gespannen als snaren, ze waren zo ver opgerekt dat de Zwerver al een meter van de kant af lag. Het kon niet goed gaan, en dat ging het ook niet. De eerste paal werd uit de grond getrokken en door zijn tros gelanceerd, dwars door het stuurhuis heen. Gelukkig was iedereen aan dek op dat moment. We lieten ons plat op het dek vallen om niet geraakt te worden door de andere palen, die één voor een werden losgetrokken en vlak over onze hoofden suisden. De ankers trokken diepe voren door het grasveld, hielden even stand bij de betonnen afrastering en sleepten daarna over de bodem verder. We waren op drift!

We hadden weinig hoop de Zwerver weer aangemeerd te krijgen, dus we hebben besloten de ankers te hijsen en terug te varen naar de thuishaven. Met de wind en de golven in de rug zetten we koers.

Frank is een uitstekende schipper, maar in deze condities liet zijn stuurmanskunst het afweten. Als de Zwerver op een golfberg lag kwam de schroef uit het water, het boegroer stond zo te klapperen dat zelfs Jacqueline er niet meer in de buurt durfde te komen en ieder moment kon de Zwerver dwars op de golven gedrukt worden en kapseizen.

Op dat moment heb ik besloten in te grijpen. Als ervaren brandingkayakker wist ik om te gaan met golven achterop en met een schip zonder roer. Ik heb Frank en Jacqueline een zeil laten hijsen op het voordek. Door een zandbankje mee te pikken wist ik het boegroer tot rust te brengen. Dat ding ligt nog steeds in diepe rust op de bodem van het IJsselmeer. Daarna kon ik sturen door de hele bemanning aan één kant van het schip te laten overhangen. We pikten een mooie golf op en surfden met een vaartje van zo'n 20 knopen richting Amsterdam: Sneller dan de Zwerver ooit gevaren had.

Als je met een kayak naar het strand surft dan surf je gewoon door tot de boot het strand op schuift en dan stap je uit. Stoppen op een golf is onmogelijk. Misschien had ik daar even bij moeten stilstaan. De sluis kwam angstwekkend snel dichterbij. Frank vloekte en tierde in de radio om de sluiswachter de weg vrij te laten maken, maar hij was te laat. We boorden ons dwars door de sluizen heen. Het water had vrij baan, het hoogteverschil tussen het IJsselmeer en Amsterdam is dik twee meter, dus een vloedgolf stuwde ons verder. We waren wel uit de IJsselmeergolven en konden in ieder geval het zeil strijken en de motor en het roer weer gebruiken. Frank nam een gierende bocht richting KNSM eiland, een haakse hoek richting steiger en de Zwerver schoof, nog steeds aangedreven door de vloedgolf, in z'n geheel de wal op, dwars over de weg en door een rijtje geparkeerde auto's. Het schip kwam tot stilstand met z'n neus in de pui van het tegenoverliggende gebouw.

De Zwerver was gelukkig nauwelijks beschadigd. Het getroffen gebouw was total-loss, evenals de auto's die nog gedeeltelijk onder het schip uitstaken. Er was wat gezeur met schadeclaims en verzekeringen, maar dat is allang vergeten en vergeven.

Het bleek onmogelijk om de Zwerver weer naar het water te krijgen. De bodem is te zacht om met hoogwerkers een poging te doen. We konden geen vergunning krijgen om een geul te graven onder het schip. Dus nu wonen Frank en Jacqueline weer op de wal, nog steeds op de Zwerver. Het gebouw is gesloopt, de weg is omgeleid, het schip ligt nu midden in een heel charmant stadspark. Op zondag lopen dagjesmensen om het schip. De Zwerver wordt nog steeds onderhouden, de dieseltank is altijd gevuld, maar het zal nooit meer varen. Frank en Jacqueline praten nog wel eens over de tijd dat ze voeren, dat ze konden gaan en staan waar ze wilden. Dan zucht Frank, dan gaat hij nog even de motor starten om het oude gevoel terug te krijgen. Dan gaat Jacqueline de trossen losgooien, zo maar voor het idee. Frank kijkt op de radar of de weg vrij is. Isabel, de oude scheepshond, tilt moeizaam haar hoofd van de bank, kijkt moedeloos om zich heen en legt haar hoofd weer neer.

Dan vloeien er wat tranen. We weten dan nooit wat we tegen elkaar moeten zeggen, maar we weten ook dat we allevier hetzelfde denken. Meestal is het Isabel die het uiteindelijk onder woorden brengt met een lange, klaaglijke jank.

En dan pakken we nog maar een borrel, we maken nog een zak nootjes open en proberen er toch nog een beetje een vrolijke avond van te maken.