Een alledaagse tragedie: deel 1
Op één van de vele Biesboschstrandjes zat ik me te warmen
in de eerste zonnestralen van de dag. Er hing nog wat nevel, de dauw glinsterde
nog om me heen, maar dat zou snel afgelopen zijn: Het ging weer een mooie,
warme zomerdag worden. Het was nog stil: Om zes uur 's morgens liggen de toeristen
nog hun roes uit te slapen. Een vroege visser pruttelde langs en zwaaide
naar me. Ik groette niet terug: Ik groet geen dierenbeulen. Een bever zwom
voorbij met drie kleintjes vlak erachter. Ik zwaaide, maar ze groetten niet
terug: Bevers groeten niemand. Het gaf niet: De ochtend was mooi en stil,
de koffie was vers, de sigaret smaakte naar meer.
De vrede werd wreed verstoord door het hardste geluid dat ik ooit gehoord
heb. Een speedboot kwam voorbij met een geluid alsof hij door de geluidsbarriere
ging. Ik morste koffie over m'n broek maar had geen tijd daar aandacht aan
te besteden: De hekgolf van de gemotoriseerde gek dreigde m'n kayak vol water
te slaan. Toen ik alles weer onder controle had, een minuut of wat later,
was de vrede weergekeerd. De nevel hing nog steeds over het water, de dauw
glinsterde. Alleen had ik een koffievlek in m'n broek, natte voeten, een
lege koffiekop en zwommen drie kleine bevertjes zonder moeder verdwaasd in
het rond.
Je kent me. Je kan je voorstellen hoe ik zonder aarzelen het ijskoude
water indook en seconden later bovenkwam met de zwaargewonde bever. Je ziet
voor je hoe ik de mond-op-mond beademing al begon in het water en voortzette
terwijl ik met bever en al de kant op klom. Je ziet me wanhopig in de weer
met een EHBO-trommel. Je leeft met me mee als ik de strijd opgeef, als ik
de bever op de grond laat zakken terwijl mijn tranen zich vermengen met zijn
bloed. Minutenlang bleef ik zitten, gebogen over de dode bever. Toen vermande
ik me en begon een kuil te graven.
Het is nu bijna een jaar geleden, maar nog steeds gaat er geen dag voorbij
zonder dat ik denk aan de dode moeder en haar ongelukkige kleintjes. Iedere
dag als ik thuiskom en de berg hout bij de voordeur heb overwonnen, als ik
ga zitten op een stoel zonder poten en een asbak zoek tussen de restanten
van m'n tafel, als ik besprongen wordt door drie dolblije bevers die mij zien
als hun adoptie-moeder, dan voel ik even m'n hart zwaar worden. Eens zullen
die bevertjes op eigen benen moeten staan, maar kan ik ze leren hoe je als
bever in de Biesbosch moet overleven? Moet ik mijn kinderen een toeristische
hel en een gewelddadige dood tegemoet sturen? Moet ik ze naar Zweden brengen
en hopen dat ze de winters daar kunnen trotseren, na een winter bij mijn
warme kachel?
Misschien moet ik m'n baan maar opzeggen en een sloopbedrijfje beginnen,
dan kunnen ze een handje helpen en misschien later de zaak overnemen. Dat
heeft geen haast. Eerst moet ik m'n vloerbalken eens laten vervangen door
betonnen balken: De vloer begint wat dunnetjes aan te voelen. Ik vroeg me
al een paar dagen af waar al dat hout bij de voordeur toch vandaan kwam...
Een alledaagse tragedie: deel 2
Wat gaat de tijd toch snel! Het lijkt als de dag van gisteren dat drie
kleine bevertjes mijn huisraad sloopten, toch zijn het ondertussen drie volwassen
bevers geworden. Ze wonen allang niet meer bij mij thuis. Ze hebben hun leven
in eigen hand genomen.
Er kwam een moment dat de bevers in de spiegel keken en de logische vraag
stelden: "Hoe kan een twee meter lange slungel onze vader zijn?" Ik heb ze
uitgelegd wat er gebeurd was met hun moeder. Ze hebben mij vriendelijk bedankt
voor de goede zorgen en de wijze lessen, hebben mijn pacifistische inslag
overwogen en verworpen en hebben wraak gezworen op de moordenaar van hun
moeder.
De School voor Internationaal Terrorisme in Ierland hebben ze inmiddels
met succes doorlopen. Als dank voor mijn opvoeding werd ik uitgenodigd bij
de feestelijke presentatie van hun afstudeerproject: Een speedboot-val. In
de Biesbosch natuurlijk. Ik kreeg zelfs een kleine rol toebedeeld in het
project. Als lokeend.
Het idee was even eenvoudig als doeltreffend. Als lokeend zat ik op een
strandje, op een tuinstoel naast mijn kayak, in driedelig pak. Mijn rol was
wachten tot een speedboot-bestuurder mij groette, om terug te groeten met
een geheven middelvinger en een krakende belediging. Gekken in speedboten
zijn uiterst gevoelig voor dat soort gedrag, als een stier voor een rode lap.
Bovendien zijn ze heerlijk voorspelbaar. Als iemand in een keurig pak ze
beledigd, dan zullen ze er zo hard mogelijk vlak langs varen en vlak ernaast
een scherpe bocht trekken om een mooie golf te maken, zodat het slachtoffer
druipend achterblijft. Ze moesten die bocht dus vlak bij mijn strandje maken,
met hoge snelheid, niet wetend dat mijn bevers daar een kubieke meter beton
hadden afgezonken. De boot zou door de klap uit het water komen, niet meer
in staat zijn de bocht te maken en over mijn hoofd de struiken invliegen,
meteen de weg vrijmakend voor de volgende.
Ik moet zeggen: Ik maakte me een beetje zorgen over het plan. Er vliegen
niet dagelijks speedboten over me heen. Volgens de berekeningen zouden ze
keurig over m'n hoofd gaan, maar ik ben zelf engineer, ik heb niet veel vertrouwen
in berekeningen. Bij de eerste drie boten dook ik in elkaar en zag mijn leven
aan me voorbij trekken, maar daarna won het vertrouwen en kon ik ten volle
genieten van het spektakel. Ik had soms nauwelijks tijd om bij te komen van
het lachen voor het volgende slachtoffer zich aandiende en ik weer met een
serieus gezicht mijn vinger moest heffen. Ik heb nooit zoiets grappigs gezien
als het gezicht van een schipper die opeens te hoog vaart. Het was meer dan
grappig. De hele klimax van het aanzwellende gejengel van een motor, daarna
de klap op het blok, het suizen door de lucht en de krakende klap op de berg
soortgenoten is van een ultieme schoonheid die me raakte in het diepst van
mijn hart. Vaak voelde ik tranen van ontroering in m'n ogen.
Natuurlijk zijn mijn bevers met vlag en wimpel geslaagd. Ze hebben besloten
zich weer te vestigen in de Biesbosch: Ze zijn weerbaar genoeg om daar te
overleven. Geregeld wordt ik uitgenodigd om een nieuwe stunt bij te wonen,
of gewoon om lekker een wilgetakje te komen knagen in hun burcht.
|