
|
Mijn Meertje
(Zweden, N 59° 22' , O 12° 37' )
Ik zocht eigenlijk alleen een plekje voor de lunch. Wat op de kaart een
weg leek bleek een karrespoor, doodlopend bij een vergane steiger met twee
half gezonken roeiboten, een grasveldje en een vuurplaats. Op de kaart heeft
het meertje geen naam. Over iets dat zo oninteressant is als dit meertje
wordt niet gepraat, het heeft dus geen naam nodig. Ik geef het een naam.
Vandaag heet het Mijn Meertje. Het is goed genoeg voor een gebakken eitje
en een kop koffie en ook goed genoeg om even de kano af te laden en wat rond
te dobberen. Twee keer heb ik aangelegd om nog wat te eten en te drinken.
Eén keer heb ik een auto horen aankomen langs het weggetje en ook
weer horen weggaan.
Terwijl ik ronddobberde is het avond geworden. Het grasveldje bij de
auto is groot genoeg voor mijn tentje, dus ik besluit de nacht te blijven.
Er zijn bevers in de buurt en er ligt dus genoeg dood hout voor een vuurtje.
In de schemering verzamel ik hout voor het vuur en terwijl dat begint
te branden zet ik nog een kop koffie van water uit het meer, met cognac in
een kristallen glas. Ik hou van decadent kamperen. De wind gaat liggen, dat
doet 'ie altijd 's avonds, de vogels stoppen met fluiten en terwijl de schemering
dieper wordt valt er een stilte waarin alleen het vuur nog knettert. Als
het vuur langzaam dooft blijft alleen het ruisen van mijn bloed over. Als
de nevel uit het water begint te stijgen is het tijd om zachtjes de kano
nog een keer te water te laten en een laatste rondje te maken. Het lijkt
of ik vaar door nevel in plaats van water. Het is zo stil dat ik automatisch
zachter gaat ademen. Het geluid van een peddel in het water en wat later
van een rits van de tent of de slaapzak, lijkt een hels lawaai. Een enkele
brekende tak in het bos roept beelden op van spoken, van oerangsten die opeens
de ruimte krijgen...
Weten dat de dichtstbijzijnde mens minstens 5 kilometer van je vandaan
is, is iets heel anders dan alleen thuis zitten en toch overal om je heen
mensen horen, ruiken en voelen. Het is drie dagen geleden dat ik voor het
laatst met iemand gepraat heb en dan nog alleen om boodschappen te doen bij
een kruidenier in een klein Zweeds dorpje. Ik heb genoeg gezelschap aan het
water, de minnares die je altijd zal dragen, die je kan omarmen zoals geen
mens het kan en die zachtjes tegen je praat zonder dat je hoeft te luisteren
of te antwoorden. Nu is ze stil, net zo stil als de vogels en de wind, maar
de wind steekt al weer op. Het water begint een kabbelend slaapliedje terwijl
ik m'n laatste sjekkie doof en m'n ogen sluit...
|