
|
Järnsjön
(Zweden, N 59° 20' , O 12° 15')
Het was geen weer om te peddelen. Er stond windkracht 7 en ik had geen
zin om me in een willekeurige branding op de rotsen gaar te laten beuken.
Ik had net besloten maar eens een eind te maken aan mijn zwerftocht en langzaam
af te zakken richting Nederland. In Arjäng bleek de weg zo hopeloos
te zijn omgeleid, dat ik na 3 rondjes om het centrum eieren voor mijn geld
koos en richting Oost de stad verliet, in plaats van Zuid, zoals mijn bedoeling
was.
Ik vertel dat koel, maar dat was ik beslist niet op dat moment. Toen
ik de stad uitreed had ik een klein uur rondjes gedraaid. M'n GPS vertelde
precies wat ik verkeerd deed, maar niet wat ik dan wel moest doen. De mensen
die ik de weg vroeg vertelden van alles, maar niets zinnigs. Toen ik dus uiteindelijk
besloot om 50 kilometer om te rijden, als ik maar in vredesnaam die rotstad
uit was, toen was ik niet koel meer.
Tien kilometer verder kwam er geen rook meer uit m'n oren, maar ze gloeiden
nog wel na. Het was tijd om eens even uit te stappen en een wandelingetje
te maken om weer tot rust te komen. Toen ik dan ook een lap water zag, met
een stevige branding en nog steeds windkracht 7 eroverheen, besloot ik om
te stoppen en in de nevel van het opspattende water even te gaan uitwaaien.
Ik vond een strandje met een steiger die zeker 50 meter het meer in liep.
Die steiger wandelde ik op. Dat wandelen was meer wankelen: Het was een drijvende
steiger die behoorlijk te keer ging. Op het puntje keek ik naar beneden en
zag tot mijn verbazing de bodem. Het was hooguit een meter diep! Ik stak
voorzichtig een been in het water en inderdaad: Ik kon er lopen. Tussen de
golven in kwam het water tot m'n knieën, de golftoppen kwamen tot m'n
middel. Dat kwam goed uit, ik was daar tenslotte om even af te koelen. Er
lag een mooie, vlakke zandbodem. De branding, met korte, overslaande golven,
liep nog een eind verder door, dus het moest echt een heel eind ondiep blijven.
Ik heb nooit op wildwater gevaren en ik had nog nooit gehoord van steunen,
eskimoteren, helmen of zwemvesten, maar deze kans wilde ik niet missen. M'n
boot is in ieder geval onzinkbaar en wat er ook gebeurde, ik zou terug kunnen
lopen, dus hopla, te water met die bak. Voorzichtig afladen: Als je de verkeerde
kant eerst losmaakt waait de kayak over de auto heen en dan is de schade
niet te overzien. Paspoort en portemonnaie in een waterdichte zak, broekzakken
leeg, regenjack erbij. Een spatzeil leek me op dat moment niet nodig.
Door de golven heen het meer op was niet moeilijk. Omkeren tussen de
overslaande golven ging heel aardig, als er niet plotseling een hogere golf
tussenzat. Terugsurfen was waarschijnlijk makkelijk geweest, als ik dat spatzeil
maar had meegenomen. Ik ontdekte dat een korte, scherpe golf ter hoogte van
de kuip gewoon naar binnen loopt en dat m'n boot dan onmiddelijk z'n stabiliteit
kwijt raakt. Hoe merk je dat? Heel eenvoudig: Doordat je met je hoofd op
de bodem ligt, gevangen tussen de bodem, een peddel en een kayak die met
alle geweld pal over je heen wil. Of doordat opeens de neus van de kayak
uit het water komt, de achterkant langs de bodem schuurt en je langzaam achterwaarts
borrelend ten onder gaat. Of doordat de boot zo diep ligt dat je hem niet
meer ziet en je je afvraagt of peddelen zonder boot niet net zo makkelijk
is. Ik heb alle mogelijkheden gezien, sommige meer dan eens. En na iedere
variant weer naar het strand slepen, hozen, weer door de branding naar buiten
en hopla! Daar gaan we weer!
Na een uurtje was ik ver genoeg afgekoeld. Meer dan ver genoeg. Ondanks
droge kleren, koffie, de kachel op 10 en m'n dikste fleecetrui heb ik het
de hele middag niet meer warm gekregen.
|