In de val
Het is weer winter in Europa: Het wildwaterseizoen is aangebroken.
Vorig weekend was er nogal wat regen en natte sneeuw in de Alpen, dus
ik ben in mijn eentje die kant op gereden om een beetje te gaan spelevaren
in de bergbeekjes. Het water stond lekker hoog. Ik heb een mooi ruig riviertje
uitgezocht om eens stevig aan mijn conditie te kunnen werken. Ik weet niet
meer hoe het riviertje heet: Ik weet wel dat het heel hoog in de bergen was,
met watervallen van meer dan 10 meter en geweldige troggen, paddestoelen en
stoppers. Ik liet me genoeglijk van wat watervalletjes afzeilen, ik tolde
een beetje rond in de stoppers en liet me een paar keer onderzuigen in een
trechter. Na een paar uur begon ik moe te worden en koud, en was eigenlijk
al op weg naar de auto toen ik een trechter tegenkwam die zó onweerstaanbaar
was dat ik nog eens diep inademde en volle kracht erin dook.
Door een normale trechter wordt je eerst helemaal naar de bodem gezogen
en daar weer uitgespuugd: Je komt gewoon weer boven dobberen. Meestal wordt
je aan het oppervlak ook meteen weer de trechter ingezogen: Je hebt net tijd
om te eskimoteren en diep in te ademen en je gaat alweer. Ontzettend leuk.
Deze keer ging het anders.
De trechter zoog me naar beneden. Ik had verwacht na een paar seconden
de bodem te voelen, maar nee: De trechter ging alleen maar dieper en dieper.
Op een gegeven moment voelde ik een rots tegen mijn hoofd. Gelukkig droeg
ik een helm. Ik probeerde me om te draaien om niet nog een keer met m'n kop
ertegenaan te rammen, maar toen ik mijn peddel uitstak sloeg die onmiddelijk
tegen een andere rots. Ik haalde uit naar de andere kant: Alweer rots. Eindelijk
begon me te dagen wat er aan de hand was: De trechter was het begin van een
ondergrondse stroom. Ik werd door een koker in de rotsen dieper en dieper
de berg in gezogen!
Ik heb een vrij lange adem gelukkig. Ik bukte naar het voordek om m'n
gezicht te beschermen tegen de rotsen, legde de peddel langs de boot om niet
te blijven haken, en wachtte af. Na minuutje of wat voelde ik opeens lucht,
een vrije val, een plons, en ik lag weer op rustig water. In het hardstikke
donker. Kennelijk eindigde de stroom in een ondergronds meer, waarop ik nu
ronddobberde. De lucht rook muf, ik hoorde overal echo's van klaterend water,
maar ik zag geen hand voor ogen.
Gelukkig ben ik een roker: Ik heb altijd een aansteker bij me. Op de
tast viste ik het ding op uit een waterdichte tas en stak m'n reservepeddel
in de fik om als fakkel te kunnen gebruiken. Zo'n plastic blad geeft een behoorlijke
hoop licht en brand lekker lang, maar pas wel op: Er druipt brandend plastic
vanaf.
In het licht van de flakkerende vlam zag ik een enorm gewelf om me heen.
Ik lag op het midden van een meer, vlak naast de plaats waar het water uit
het plafond klaterde. Aan het plafond hingen druipstenen, sommige tot vlak
boven het oppervlak van het meer. Een natuurlijk sprookjespaleis, helemaal
voor mij alleen. Ik begon het meer te verkennen, slalommend tussen de druipstenen.
Al gauw doolde ik volledig gedesorienteerd rond. Mijn enige houvast was een
nauwelijks merkbare stroming die ik volgde, hopelijk naar een uitgang.
Ik naderde de rand van het meer. Ik kon de wanden niet zien, maar ik
zag wel dat het plafond steeds lager werd en het oerwoud van druipsteen dichter.
De stroom werd iets sterker en eindigde in een trechter, maar veel te zwak
om me naar beneden te zuigen. Het was meer een flauwe kuil in het oppervlak,
met een trage werveling er omheen. Het moest de uitgang zijn: Mijn enige
weg naar buiten. Geen makkelijke weg deze keer. Als je aanneemt dat er net
zo veel water zo'n grot ingaat als dat er uitgaat, dan moest er een behoorlijke
uitstroom zijn. Als je dan aan het oppervlak zo weinig ziet van die uitstroom,
dan moet het gat verdomd diep onder water zitten, zowat 50 meter schatte
ik.
Ondertussen was m'n reservepeddel bijna opgebrand. Ik speurde langs de
kanten naar iets brandbaars, en dat was er tenminste genoeg. Ik had gehoopt
op wat drijfhout, maar de wildwaterkayaks met skeletten die in overvloed
ronddreven voldeden wel zo goed eigenlijk. Allemaal voorgangers van me die
hier gestrand waren. Ik stak zo'n skelet aan en liet hem ronddrijven in zijn
bootje, brandend als een fakkel. Prachtig gezicht, maar ik was niet zo in
de stemming voor een lichtshow. Ik begon een beetje zenuwachtig te worden,
eerlijk gezegd.
Ik besloot eerst maar eens te gaan rusten en nadenken. Ik landde op een
vlak stuk rots, zette koffie, at een boterhammetje en stak een sigaretje op.
En nog een sigaret. En nog één. Het brandende skelet was bijna
op, dus ik stak een nieuwe aan. En zette nog een kop koffie. En nog een sigaret.
Dat was de laatste: Het pakje was leeg. Het was tijd om actie te ondernemen.
Ik had een plan, maar erg blij was ik er niet mee. Ik laadde m'n bootje
zo vol met stukken druipsteen dat het bijna zonk. Ik voer naar het midden
van de trechter, haalde een paar keer diep adem en eskimoteerde. De boot liep
vol water en zonk als een baksteen door het gewicht van de stenen. Dieper
en dieper. Ik klaarde m'n oren een paar keer (Ik heb wat duikervaring gelukkig).
Dat deed ik een keer of vijftien, dus het zal inderdaad zowat 50 meter diep
zijn geweest. Toen begon ik een zuiging te voelen, eerst aan mijn gezicht
en mijn peddel. Vrijwel onmiddelijk werd ik met enorme kracht een gat in
gezogen. Aan alle kanten werd ik gebeukt door de rotsen, ik kreeg ademnood,
er kwam maar geen eind aan. Ik begon sterretjes te zien en lichtvlekken.
Ik dacht al aan de laatste hallucinaties voor mijn tragische einde toen me
opeens begon te dagen dat het licht ècht was! Ik was buiten! Alleen
lag ik op de bodem van een rivier, in een met honderd kilo stenen verzwaarde
boot!
Er was geen tijd om die stenen te dumpen, ik zat aan m'n laatste adem.
Ik heb de boot verlaten en gezwommen voor mijn leven. Het oppervlak was gelukkig
vlak boven me.
Op een rots aan de waterkant heb ik even uitgerust en ben daarna weer
ondergedoken om de boot te redden. Ik had twaalf duiken nodig om alle stenen
te lossen, daarna kwam het bootje vanzelf bovendrijven. Ik kon weer varen.
Ik had geen idee waar ik was na mijn tocht door het hart van de berg, maar
dat loste zich snel op toen ik wat verder stroomafwaarts voer en keurig langs
de kant m'n autootje zag staan, vol met droge kleren en pakjes sigaretten.
De volgende dag ben ik lekker gaan wandelen: Ik had genoeg gevaren voor
dat weekend.
|