Gered!
Lekker stormpje was dat met kerst. Eindelijk weer eens lekker weer om
de Loosdrechtse Plassen op te gaan en een beetje met water te gaan kliederen.
Het was heerlijk koud daar: Boven water net onder nul en onder water net er
boven. De hagel is dan zo koud in je gezicht dat een golf die langs je hals
je wetsuit binnenstroomt bijna behaaglijk aanvoelt. En golven waren er! Zowat
een meter hoog, met brekers ertussen en overal schuimvlokken.
Ik had een héél klein wildwaterbootje geleend voor de gelegenheid.
Zo'n bootje dat net zo makkelijk omslaat naar voren en naar achteren als
naar opzij. Ik kan best gewoon rechtuitvaren met zo'n ding, maar het is veel
leuker om een beetje rond te stuiteren tussen de golven: pirouetjes draaien
op de voor- of de achterpunt, dan weer eens een stukje surfen, over de kop
slaan, een stukje ondersteboven peddelen, even adem happen en dan weer dwars
door de volgende golf heen beuken...
De wind was West, dus ik was aan de Oostkant van de plas aan het spelen,
in de hoogste golven. Toen ik begon was ik de enige op de plas, maar toen
ik een uurtje bezig was verscheen er een tweede bootje. Ik merkte het op omdat
het zo onverwacht kwam: Welke gek gaat er nou met windkracht 10 midden in
de winter varen op Loosdrecht? Aan de andere kant: Ik was er zelf ook, dus
zo gek hoef je nou ook weer niet te zijn. Ik verlegde mijn aandacht weer
naar m'n eigen spel, maar bleef het bootje toch een beetje in de gaten houden.
Er varen veel onervaren schippers op Loosdrecht en ik voel me toch altijd
een beetje verantwoordelijk als ervaren Loosdrechtkruiser.
Hij was inderdaad knap stom bezig. In plaats van in de luwte te blijven
leek hij, net als ik, het stuk op te zoeken met de hoogste golven en de hardste
windvlagen. Hij zwalkte als een dronken eend over het water, soms recht op
me af, dan weer pal de andere kant op. Ik kon de schipper zien: Een doorweekt
regenpak dat als een dweil over het roer hing. Zijn scheepsmaat was in de
weer met een hoosemmer, maar hij schepte net zo veel water naar buiten als
naar binnen volgens mij. Het leek een beetje op een slapstick zoals die twee
bezig waren. Toen de schipper na enig gerommel in de kajuit met een vuurpijl
aan kwam zetten en het ding nog afstak ook zat ik hardop te lachen in m'n
bootje. Vuurpijlen zijn voor noodgevallen, dit was toch geen noodgeval? Een
beetje wind op een plasje water?
Ik ben toch maar even gaan kijken. Het was toch niet zo leuk als het
op een afstandje leek: Het roer had de schipper zo'n klap in z'n ribben gegeven
dat hij nauwelijks meer kon ademen, terwijl de scheepsmaat half buiten bewustzijn
lag te borrelen in de kuip. De kajuit stond half vol water: Door het deurtje
kon ik het zien klotsen. De motor was verzopen en afgeslagen. Misschien was
die vuurpijl toch zo gek nog niet.
Ik heb een touwtje overgegooid en het hele schip naar de wal gesleept.
Zware klus: Een ijzeren boot tegen windkracht 10 opslepen doe ik niet dagelijks.
Het was toch wel een uurtje werk, maar naarmate ik dichter bij de hoge wal
kwam werd de wind zwakker en de golven lager, de klus werd steeds makkelijker.
Toen we de steiger bereikten was de schipper genoeg bij zinnen om zelf z'n
bootje vast te leggen, de scheepsmaat lag brakend over de reling. Dat was
dus allemaal OK. De eerste regel van reddingen op zee is: Zolang het hoest,
braakt of vloekt is er niets aan de hand.
Ik legde zelf ook aan en stapte uit om eens even die schipper de huid
vol te schelden. Windkracht 10 is niet voor landrotten en dat wilde ik hem
eens goed inpeperen. Wie dacht 'ie wel dat 'ie was om een beetje mijn tijd
te verspillen met zijn domheid?
Hij lachte een beetje beschaamd, maar leek wel een weerwoord te hebben,
dus ik stopte even met praten om te luisteren naar wat hij te zeggen had.
Hij bleek lang niet zo'n landrot te zijn als ik dacht. Sterker nog: Hij stelde
zich voor als Reindert Volkers. Die naam ken ik wel: Reindert Volkers is
schipper van de Loosdrechtse Reddingsbrigade. Hij heeft talloze toeristen
gered uit talloze zomerstormen, er zijn gedichten over hem geschreven, hij
heeft een standbeeld op het dorpsplein. Niet een man om voor de lol zijn
leven te wagen, maar wat deed hij dán midden op die plas?
Ook daarop had hij een antwoord. Hij had een melding gekregen van een
kayakker in nood. Iemand had een kayak gezien, midden op de plas, die maar
blééf omslaan en overslaan en die op het punt stond om nooit
meer boven te komen. Reindert kende het gevaar, hij wist dat hij zijn leven
waagde, maar hij kent zijn taak: Als er nood is op de plas dan gaat hij erheen,
wat het hem ook moge kosten. Het was MIJN schuld dat hij bijna verzopen was,
dat hij daar stond te bibberen in zijn doorweekte kleren, dat zijn scheepsmaat
nog steeds kokhalzend over de reling hing.
Ik heb ze maar even thuisgebracht. Moeder de vrouw nam de zorg over,
met handdoeken, wollen dekens en hete bouillon, die ze eigenlijk voor mij
had klaargezet. Ze had ook nog wel wat voor mij, maar ik vond de toestand
te genant. Ik ben weer weggegaan, weer het water op.
Ik heb nog wel even met Reindert afgesproken dat ik hem volgende keer
zal waarschuwen als ik ga varen. Dit willen we niet nog eens meemaken, geen
van beiden.
|